Jetzt loslegen. Gratis!
oder registrieren mit Ihrer E-Mail-Adresse
Rocket clouds
Leren von Mind Map: Leren

1. bekrachtiging: toename in frequentie van gedrag agv Sr-R relatie: vermijdingsleren en ontsnappingsleren

2. effecten van niet-contingente prikkelaanbieding

3. klassieke conditionering

4. operante conditionering: Sd= de discriminatieve prikkel (descriptief: de prikkel die aangeeft of een bepaalde R gevolgd zal worden door een Sr <=> beschrijvend; de prikkel heeft effectief een rol owv zijn invloed op het gedrag) Sr= resultaat van het gedrag (descriptief: elke gebeurtenis die afh is van een gedrag <=> beschrijvend: gedrag omwille van hetg verband tussen Sr-R) R= het werkelijke gedrag( descriptief: gedrag dat bepaalde invloed heeft op de O <=> beschrijvend: causale relatie, die door OZ te manipuleren is) ALTIJD KIJKEN NAAR DE KLASSE VAN GEDRAGINGEN, NIET NAAR HET INDIVIDUELE GEDRAG

5. responsklasse: verzameling van gedragingen,die iets met elkaar gemeen hebben= descriptief <=> operante klasse: verzameling gedragingen door een bepaalde uitkomst = functioneel

6. sensory reinforcement: loutere aanbieding van prikkels werkt bekrachtigend; Sr= gebeurtenis dat prikkel aangeboden wordt

7. intrinsieke relatie: interactie tussen de aard van de CS en de aard van de US; interactie tussen de aard van de Sd en de aard van de Sr (vb. Garcia en Koeling: verband lengte en schok+ verband voedsel en misselijk wordt sneller geleerd, omdat er een intrinsieke relatie is tussen beiden)

8. vermijdingsgedrag: heel gemakkelijk om een rat te leren op een hendel te duwen om voedsel te krijgen, maar zeer moeilijk om ze leren op een hendel te duwen om een schok te vermijden (Sr bepaalt welke R geleerd kunnen worden= selectiviteit in leren)

9. Wet van effect (Thorndike): positieve prikkel zorgt dat het gedrag toeneemt, negatieve prikkel zorgt ervoor dat het gedrag afneemt; problemen: zeer moeilijk a priori te bepalen welk prikkel een positieve of negatieve uitkomst met zich mee zal brengen

10. Hull: drives--> zo optimaal mogelijk niveau van bevrediging bereiken; positief als ze bijdragen aan dat bereiken en dus gebruikt als bekrachtigers; mentale procestheorie: waarom fungeren bepaalde prikkels als bekrachtiger <=> Dickinson en Ballein: niet alleen voldoen, men moet dat ook leren

11. onrechtstreekste operante cond: via willekeurig gedrag een controle uitoefenen op willekeurig gedrag <=> rechtstreeks: de invloed van willekeurige gedragingen uitschakelen

12. unit of behavior: eenheid van gedrag waarmee je een bepaalde klasse van gedragingen gaat aflijnen; arbitrair door de onderzoeker bepaalt; bepaalt ook welke verandering in het gedrag je zal krijgen

13. effect: het gevolg, observeerbaar van een bepaalde procedure die gesteld wordt: vb. KC als effect= optreden van het veranderen in het contingentie-oordeel als gevolg van het samen voorkomen van 2 prikkels

14. procedure: hetgeen de onderzoeker doet en je gaat na of deze een effect teweegbrengen (vb. KC als procedure: het al dan niet samen aanbieden van 2 prikkels en kijken of ze een verandering in de contingentie-oordelen brengen) ==> procedurele verklaring= regelmatigheden die je in de O kan observeren <=> proceverklaring: aan de hand van hypothetische, abstracte termen proberen een verklaring te geven

15. principe van Premack: Sr zien als responsen en niet stimuli; eten van voedsel als bekrachtigend element (=de respons: gedrag stellen om ander gedrag te kunnen stellen); gedragingen verschillen in de frequentie waarmee ze gesteld worden in situaties waarin er geen verschillen zijn (vb. liever eten dan op hendel duwen, bij onbeperkte toegang tot eten) ==> indien het stellen van gedrag A de mogelijkheid stelt om een hoger frequent gedrag B te stellen, dan zal de frequentie van gedrag A toenemen

16. Respons deprivatie model: situationele frequentie; verlies bekrachtigende waarde als ze gelijk wordt aan de natuurlijke frequentie (vb. hendel duwen en voedsel voor de hele week) --> Sr als ze verschilt van de natuurlijke frequentie! (zo ook straf: situationeel is hoger dan natuurlijk, wat leidt tot een afname in het gedrag)

17. Bouton: extinctie is niet afleren, maar bijleren. hierdoor kan hij het effect van renewal verklaren. in een bepaalde context wordt geleerd dat de CS gevolgd wordt door de US (excitatorisch), dan wordt het dier in een nieuwe context geplaatst en leert daar dat de CS soms niet gevolgd wordt door de US (inhibitorisch); als het dier dan terug in de oude context wordt geplaatst verdwijnt het inhibitorisch, context-afhankelijke verband en komt de excitatorisch respons terug op

18. comparator model: blokkering is niet het gevolgen van falen tot leren; tijdens de AX+ trials wordt het X-US en A-US verband aangeleerd, maar door het daarna apart aanbieden van A+ trials, wordt de X-US relatie eigenlijk overschaduwt door de veel sterkere A-US relatie, waardoor het verschil tussen beiden toeneemt en de CR op de X-US afneemt

19. Rescorla-Wagner: verwachtingsdiscrepantie (hoe onverwachter de aan- of afwezigheid van een bepaalde prikkel, hoe meer men leert) + de CS-US representeert de werkelijke associatieve sterkte van het verband; mathematische formule: de verandering in de associatieve sterkte is het gevolg van het verschil tussen de werkelijkheid en het verwachte * alfaAbèta (wordt gegeven); bij de eerste proefbeurt is er nog geen verwachting en is dus Va 0; en de discrepantie groot, naarmate er meerdere trials afgenomen worden neemt de verwachtingdiscrepantie af en ga je minder leren; het is ook afhankelijk van alle CSn die aanwezig zijn, zo wordt blokkering verklaard: door het eerste aanbieden van de A+ en vervolgens pas de AX+ trial wordt reeds geleerd dat A sowieso gevolgd wordt door de US en blijkt X overbodig, redundant en wordt daarom de associatie met US niet geleerd

20. differential reinofrocement of the other behaviour: (vb. van de impact van de brede context);bekrachtigen van een ander gedrag, bij voorkeur 1 die niet gelijktijdig uitgevoerd kan worden . differential outcome effect: leren vergemakkelijken door een onderscheid in het typen van uitkomsten aan te brengen

21. Sr-vormende ingrepen= procedures die gebruikt worden om de bekrachtigende of bestraffende invloed van de Sr te beïnvloeden--> basis van studies naar het motivationeel gedrag: vaak gebeurtenissen die in het verleden samen voorkwamen met de Sr's

22. meta-regelmatigheden: elementen die in een regelmatigheid zitten, maken zelf deel uit van een regelmatigheid (=regelmatigheden in het voorkomen van regelmatigheden)

22.1. vb. relational-matching-to-sample: correcte antwoord is afhankelijk van een relatie tussen relaties

22.2. relationeel leren bestuderen: relationele kenmerken van stimuli beïnvloeden het leren (manier waarop ze zich tot elkaar verhouden) --> NAARR: keuzegedrag kan bekkrachtigd worden telkens wanneer het gekozen symbool identiek is ongeacht de vorm

22.3. kunnen verschillende functies opnemen= heuristische waarde: gelijkenissen en verschillen tussen de verschillende types van erlationeel leren tonen

22.4. predicitef: onderzoeken of ze als CS, US, SDd, Sr-vormende ingreep functioneren

23. contextuele relationele cue: aanduiden hoe men relationeel moet reageren

23.1. vb. NAARR stimuli verschillen in vorm en kleur==> context kan bepalen welke Sd gevolgd moet worden

23.2. regelmatigheden: analogie--> regelmatigheid is een contextuele, relationele cue

23.3. het samen aanbieden met een ander stimuluspaar--> gaat de valentie bepalen OF alleen aanbieden--> contextuele relationele cue, want door het samen aanbieden hebben ze ook andere kenmerken gemeenschappelijk en dus in afwezigheid van andere stimuli zullen ze meestal functioneren als een stimulus-equivalente benadering (=AARR)

23.4. louter het herhaald samen voorkomen van 2 prikkels als contextuele cue-> verklaring over waarom ze als positiever wordt beschouwd: (1) door het vaak voorkomen gelijkt ze op andere frequente prikkels; (2)frequente prikkels zijn vaak positief en (3) de nieuwe prikkel is positief

23.5. observatie en instructie: Instructies geven aan wat het verband is tussen stimuli zo ook observatie de reactie van de ander is een cue die aangeeft hoe het verband tussen de prikkels is en niet alleen het samen voorkomen

24. learning 2.0: factoren die AARR beïnvloeden

24.1. zeer gevoelig aan de aanwezigheid van CRC

24.2. Bepaalde leergeschiedenis is noodzakelijk: gelijkenissen in de fenomenen en moderatoren, maar de regelmatigheden hebben niet per se dezelfde functie (=convergente evolutie) vb. mensen zijn meer afhankelijk van bewuste regels, dan van objectieve contingenties

24.3. nieuw onderzoek: hoe verwerven ze de functie CRC, hoe kan de functie veranderd worden, hoe interageren de verschillende cues

25. gemodereerd leren: gezamenlijke effecten van standaard-regelmatigheden

25.1. vb. CS-preexposure, US-preexposure --> regelmatigheid in het voorkomen van 1 prikkel en regelmatigheden in het voorkomen van 2 prikkels; IA r-tussen verschillende regelmatigheden in het voorkomen van 2 prikkels (=sensoriële preconditionering); IA tussen verschillende regelmatigheden in het samen voorkomen van 2 prikkels en de regelmatigheid in de prikkel en het gedrag (vb. geconditioneerde bekrachtiging) en IA tussen verschillende regelmatigheden in het voorkoen van gedrag en prikkels in de omgeving (vb. DOE)

25.2. Pavlovian-to-Instrumental transfer: eerste licht-voedsel, dan voedsel-hendel duwen==> licht vergroot de kans p hendel duwen als ze samen aangeboden worden

25.3. heuristisch: laat zien dat elk van deze fenomenen een resultaat is van het samenspel van meerdere factoren + gelijkenissen en verschillen meer systematisch gaan analyseren

26. intersecting regularities: regelmatigheden die interageren hebben meestal 1 ding gelijk; procedurele niveau

26.1. combinatie van regelmatigheden is meer dan de som van de delen

26.1.1. Sensoriële preconditionering: gemeenschappelijk element= de toon ==> stimulus-stimulus relatie OF PTI: stimulus-stimulus en gedrag-stimulus met een gemeenschappelijk element (=voedsel)

26.2. predicitef: allerlei soorten intersecting regularities die een invloed hebben op het gedrag en ook die nog tot op het heden niet onderzocht zijn

26.3. niet altijd: vb. DRO-> frequentie in gedrag 1 doen afnemen door het bekrachtigen van een ander gedrag B met een andere bekrachtiger; verandering in gedragsrepertorium: het ene gedrag kan onmogelijk samen met het andere gedrag uitgevoerd worden

27. partiële bekrachtiging: R altijd gevolgd door Sr= continu <=> niet steeds gevolgd door Sr= partiële bekrachtiging

28. bekrachtigingsschema's: 1) vast ratio (FR) = Sr aangeboden van zodra er een bepaald aantal gedragingen worden gesteld; 2) variabel ratio (VR)= toedienen Sr is ook afhankelijk van het aantal keer stellen van een gedrag, maar dat verschilt van moment tot moment; 3) fixed interval (FI)= eerste gedrag bekrachtigen dat volgt op een weolmschreven tijdsinterval 4) variabel interval (VI)= Sr aangeboden na het 1ste gedrag dat gesteld wordt na een variabel interval

28.1. f

29. retrospectief effect: Sr beïnvloedt de impact oude Sr-R relatie op het huidige gedrag<=> prospectief effect: Sr-vormende relatie bepaalt de impact die de nieuwe R-Sr relatie heeft op het gedrag

30. shaping: het creëren van nieuw gedrag= gedrag stelselmatig vorm geven; steeds verschillen in individuele gedragingen binnen elke klasse van gedragingen --> stap per stap het gedrag vorm geven door onderling gedrag te belonen (nood aan variabiliteit in het gedrag) = een voorbeeld van ontogenetische adaptatie

31. US-revaluatie: de US wordt aversief gemaakt na het leren van het verband tussen de CS-US, waardoor het CS geen CR meer zal uitlokken (kan je ook toepassen op operante conditidionering)

32. afzonderlijke trial methode: elke trial is duidelijk te onderscheiden van de volgende (vb. de kat in de puzzlebox die eerst een variëteit aan gedragingen gaat stellen en daarna neemt dit af omdat de kat het principe van aan het lusje trekken door heeft). na het stellen van het juiste gedrag, wordt ze opnieuw in de kooi geplaatst. nadeel: PL moet cte aanwezig zijn, maar voordeel dat de tijd tussen 2 trials te manipuleren is

33. vrije operante methode: rat automatisch naar startpositie ==> snelheid en frequentie van het gedrag kunnen meten; het dier kan zelf beslissen wanneer men operant gedrag stelt

34. straf: afname in frequentie van gedrag agv SR-R relatie

35. model van Sokolov: verwachting staat centraal; Het OR-mechanisme wordt enkel geactiveerd bij de onverwachte aan of afwezigheid van de US; als de US verwacht wordt, wordt het geblokkeerd door het neuronaal model in de hersenen die een mentale representatie maakt van de prikkels die in de omgeving aanwezig zijn

36. model van Bradley: niet enkel de novelty is van belang, ook de significance. hierdoor kan hij het verschil in afname van de respons bij affectieve en neutrale prikkels verklaren. zo zegt hij dat het herhaald aanbieden van prikkels het meeste effect hebben op novelty, wat bij neutrale prikkels belangrijker is dan bij affectieve prikkels.

37. model van Solomon: verschil in habituatie agv dynamieken van effect. er is een a-proces, dat onvoorwaardelijk volgt op het aanbieden van een prikkel, daar tegenover staat het b-proces, dit is context-afhankelijk. bij de eerste aanbieding zal het b-proces later optreden en minder sterk als het a-proces, maar door herhaalde aanbieding neemt de intensiteit van de reactie af en de tegenreactie toe. daardoor ontstaat de drugsverslaving en de kans op overdosis die toeneemt in situaties die anders zijn dan de gewone

38. variabele schema's leiden tot meer constant gedrag en ratio schema's leiden tot meer frequent gedrag; paritële bekrachtiging leidt tot meer continu/frequent gedrag dan continue bekrachtiging--> nagaan wat de unit of behavior is

39. matching law: 2 gedragingen gelijktijdig bekrachtigd door een VI (men weet niet welk gedrag bevestigd gaat worden en dus blijft men beide gedragingen stellen) bestaat er een wetmatig verband tussen de relatieve frequentie waarmee een van beide alternatieve gedragingen wordt gesteld en het aantal bekrachtigers dat aan dat gedrag vasthangt; geen voorkeur dan is de frequentie .50 (voorkeur kan grotere of kleinere ratio zorgen): links--> relatieve frequentie van een van de gedragsalternatieven en rechts staat de relatieve bekrachtigingswaarde

40. indirecte verbanden: secundaire bekrachtiging= samen voorkomen met primaire prikkels en kunnen gebruikt worden om andere primaire bekrachtigers te bekomen (<=> primaire: prikkels die voldoen aan een biologische behoefte) HULL; losgekoppeld: respons komt nooit samen voor met de primaire bekrachtiger, maar wel samen met een neutrale prikkel die gekoppeld is aan de bekrachtiger

40.1. geconditioneerde bekrachtiging: prikkels die samen zijn voorgekomen met de primaire bekrachtiger --> functie 1 prikkel kan transfereren naar een andere prikkel (vb. toon-voedsel --> toon-hendel duwen bekrachtigd omdat het vroeger samenhing met een andere primaire bekrachtiger)

40.2. token reinforcers: prikkels die gebruikt kunnen worden om andere bekrachtigers te bekomen (vb; geld): men moet een bepaald ander gedrag gaan stellen om de primaire bekrachtiger te bekomen; meest effectieve bekrachtiger <=> geconditioneerde: onafhankelijk van het bijkomende gedrag

41. extinctie: eerst aquisitie (is toename in frequentie van gedrag door de R-Sr relatie) daarna extinctie als de R niet meer gevolgd wordt door de Sr; in het begin toename van variabiliteit en agressief gedrag, omdat je de gewenste prikkel wegneemt; extinctie na continue bekrachtiging verloopt sneller dan na partiële bekrachtiging (= partial reinforcement extinction effect: agv de unit of behavior)

42. differentiële bekrachtiging: onder bepaalde voorwaarde gaat de Sr-R relatie wel op en onder andere voorwaarde niet OF als je met links op de knop duwt wel beloning en met rechts niet; kan ook leiden tot generalisatie: de R-Sr relatie die enkel onder bepaalde voorwaarde opgaat, heeft ook een invloed wanneer niet aan de voorwaarde is voldaan (= ook gedragingen die niet behoren tot de responsklasse<=> perfecte discriminatie: beide klassen overlappen volledig en enkel gedrag dat tot de klasse behoort verandert)

42.1. discriminatie: té--> gebeurtenissen in de ene situatie zullen geen invloed hebben op gedrag in gelijkende situaties

42.2. generalisatie: té--> gebeurtenissen in de ene situatie zullen een invloed hebben op totaal verschillende situaties (vb. PTSD: te sterk generaliseren naar hun veilige situatie)

43. stimulus controle (wat controleert het operant gedrag)

43.1. controle door enkelvoudige stimulus: non-relational responding: een prikkel controleert het gedrag agv van het voorafgaandelijk ervaren van de Sd:Sr-R contingentie

43.2. non-arbitrarily applicable relational responding: gedrag bepaalt door relatie tussen 2 prikkels; aflijning responsklasse obv de fysieke relatie tussen de 2 stimuli; niet-arbitrair omdat fysieke kenmerken eigen zijn aan de individuele stimulus

43.3. arbitrarily applicable relational responding (AARR): relatie tussen stimuli, arbitrait want los van de fysieke kenmerken--> men gedraagt zich op een manier ALSOF de prikkels gerelateerd zijn (vb. stimulus equivalentie: stimuli random gekozen en gelijken dus niet op elkaar);

43.3.1. contextuele relationele cue: het feit dat het kiezen voor het ene beloond wordt, kan al voldoende zijn om te doen alsof 2 prikkels op elkaar lijken, geeft zo de aard van het verband weer

43.3.2. direct: "hoort bij" is al voldoende aanwijzing om je te gedragen alsof bepaalde stimuli gekoppeld zijn

43.3.3. enkel bij mensen teruggevonden: taalgebruik is een complexe vorm van AARR--> je hecht betekenis aan klanken en woorden door ze te relateren aan andere dingen ook al hebben ze vaak niets gemeen

43.3.4. psychopathologie als probleem van betekenis geven: Acceptance and Commitment therapy gebaseerd op Relational Frame theory

44. mentale procestheorieën

44.1. Binnen klassieke conditionering: associatieve modellen

44.1.1. S-R-modellen: Relatie tussen stimulusrepresentatie en responsrepresentatie: eens de S-R relatie is gevormd, kan de CS de UR ontlokken, wat leidt tot CR = contiguïteit (het louter samen voorkomen in tijd en ruimte is voldoende) o US is er enkel als excuus om een reactie te ontlokken. o CR is identiek aan de UR o Contiguïteit is een voldoende en noodzakelijke voorwaarde voor het vormen van S-R associaties o Houdt enkel rekening met cel a ~ enkel het samen voorkomen zorgt voor het vormen van een associatie o Slechte heuristische waarde ~ ze falen in het verklaren van belangrijke procedurele kennis o Het samen voorkomen van CR en UR is noodzakelijk (a groter dan 0)

44.1.1.1. problemen: het kan US-revaluatie niet verklaren, omdat we louter leren door US zou dit geen invloed mogen hebben; het kan ook sensoriële preconditionering niet verklaren: volgens dit model moeten CR en UR samen voorkomen, maar bij sensoriële conditionering wordt dit gelinkt aan een CS2 en dus geen direct verband (geen problemen bij 2de-orde conditionering); CR en UR moeten gelijk zijn, want CS ontlokt US-representatie die UR oproept die zal leiden tot een CR MAAR we hebben gezien dat een CR niet altijd identiek is aan de UR en tenslotte is contingentie belangrijker: het gaat niet alleen om het samen voorkomen van prikkels, ze hebben ook een invloed als ze niet samen voorkomen

44.1.2. SS-modellen: Associatie in de representatie van de CS en de representatie van de US in het geheugen (vb zie Rescorla en Wagner, Bouton en Comparator model (verschil met S-R model: gaan ervan uit dat conditionering afhankelijk is van kennis over de US+. Ze veronderstellen dat het samengaan van de CS en US geen noodzakelijke en voldoende voorwaarde is voor conditionering) o US representatie moet geactiveerd worden opdat CR kan optreden o Contiguïteit is geen voldoende voorwaarde, S-S associatie kan enkel gevormd worden als er aandacht is voor de CS en US o Betere heuristische waarde dan S-R modellen o CR moet steeds hetzelfde zijn als UR o Het belang van bewuste kennis over de CS-US relatie in klassieke conditionering kan niet zomaar verklaard worden vanuit S-S modellen

44.1.2.1. kunnen wel US-revaluatie verklaren, want men moet de US-representatie activeren en daardoor kan wanneer de US aversief gemaakt wordt, de CR veranderen; ook de impact van secundaire taken, men moet zijn aandacht houden bij bij de CS en US en contiguïteit is niet voldoende. Sensoriële preconditionering: eerst neutrale prikkels koppelen dan 1 van de 2 aan de US koppelen dan opnieuw prikkel zonder US aanbieden, waardoor de mentale representatie van prikkel 2 gekoppeld wordt aan de mentale associatie aan de UR, die dan een CR zal ontlokken bij de CS1

44.1.2.1.1. Problemen: CR=UR, want CS activeert componenten die gelinkt zijn aan US --> nieuwe verklaring dat CS leidt tot een verwachting van de US, maar dan zegt men niets over de bewuste kennis die noodzakelijk is voor de associatie om tot een CR te leiden

44.2. binnen de klassieke conditionering; propositionele modellen

44.2.1. het gaat over de evaluatie of een propositie als waar kan beschouwd worden (zo ja, dan ga je je gedrag aanpassen daaraan). ze hebben een waarheidswaarde en kunnen gaan over de aan/afwezigheid van een verband of over de aard van een verband

44.2.1.1. invloed opvallendheid en intrinsieke relatie: belangrijke US is gemotiveerder, opvallende CS sneller gezien en bij een vermoed verband wordt het sneller geleerd --> men maakt gebruik van alle beschikbare informatie

44.2.1.2. KC ook onwillekeurig gedrag: rationele propositie kan leiden tot irrationeel gedrag (vb. duiven in autoshaping experiment die blijven pikken op druksleutel ondanks ze zo hun eten kwijt raken), deze modellen zeggen niets over waarom er bepaalde proposities gemaakt worden

44.2.1.3. contingentie-bewustzijn is belangrijker: proposities zijn op een bewuste manier gevormd, onder aandacht geëvalueerd en daarom treedt leren pas op als men bewustzijn heeft

44.2.1.4. secundaire taken belangrijke impact: het maken van proposities vereist aandacht, bij een secundaire taak heb je hier minder energie voor

44.2.1.5. blokkering: als 2 CSn als oorzaak worden gegeven treedt er wel blokkering op dan als een US als oorzaak wordt gegeven van de 2 CSn (enkel als men de effecten als additief ziet)

44.2.1.6. nadeel: niet zo precies (geen mathematische formule zoals Rescorla) + empirisch moeilijk te weerleggen

44.3. binnen operante conditionering: associatieve modellen

44.3.1. Verbanden zouden gemedieerd worden door associaties

44.3.1.1. S-R modellen:

44.3.1.1.1. Thorndike en Hull--> leren is het verwerven van een interne structuur die bestaat uit een associatie tussen sensorische centrum van de S en het motorische centrum van de R (men leer door de Sr en niet over de Sr). kan vermijdingsleren niet verklaren, ontsnappingsleren wel: stoppen van "-" prikkel zorgt voor bekrachtiging associatie tussen Sd en R, maar als het overgaat naar vermijding dan zou de frequentie moeten dalen door het gebrek aan fysische stimuli tot het ontsnappingsgedrag opnieuw kan plaats vinden

44.3.1.1.2. Twee factoren model van Mowrer: vermijdingsleren; 2 factoren--> een Pavloviaanse S-R associatie obv contiguïteit tussen Sr en Sd (Sd ontlokt reacties van de Sr: vb. vrees) daarnaast een operante S-R associatie (Stellen van R in context van Sd leidt tot "+" resultaten: men verwijdert de Sd en dus het stoppen van de geconditioneerde angst)

44.3.1.1.3. algemene evaluatie: ze gaan uit dat men leert door de Sr, maar uit OZ van Rescorla blijkt dat als je de prikkel aversief maakt, de dieren het gedrag niet meer gaan stellen + MacFarlane: een rat eerst in zwembad en moest zwemmen naar zijn eten, vervolgens dat zwembad geledigd en men zag dat de rat naar de plaats ging waar het eten oorspronkelijk was

44.3.1.2. R-Sr modellen: gemedieerd door de sterkte van de associatie tussen de representatie van het gedrag en de representatie van de uitkomsten van het gedrag

44.3.1.2.1. activatie representatie "+" Sr--> excitatie representatie R--> R vaker gesteld <=> activatie representatie "-" Sr--> inhibitie representatie R--> R minder gesteld

44.3.1.2.2. overtuiging R-Sr = S-S associaties

44.3.1.2.3. zeggen niets over de rol van Sds en kunnen dus niet alle functionele kennis over de OC verklaren

44.3.1.3. Sd-Sr modellen

44.3.1.3.1. activatie Sd kan leiden tot activatie Sr-representatie en deze leidt tot activatie van representatie van R (kan bevindingen van selectiviteit verklaren: denken kan leiden tot actie= ideomotor-onderzoek)

44.3.1.3.2. Dickinson: stap 1--> R-Sd= S-R associatie; stap 2: ook R-Sr relatie --> R-representatie kan leiden tot activatie Sr-representatie (als het resultaat waardevol is, dan zal de kans op de R vergroten)

44.4. binnen operante conditionering: propositionele modellen

44.4.1. idee: onder welke voorwaarden heeft mijn gedrag een invloed op de omgeving--> hypotheses: evalueren obv alle beschikbare info en bepalen welke het meest gunstige gevolgen heeft en dit zal gesteld worden

44.4.1.1. Lovibond; vermijdingsleren: rat leert 2 proposities (1) in ruimte A krijg ik een schok (=Sd) en (2) ik kan ze vermijden door naar de andere ruimte te lopen en op basis van deze twee zal de rat beslissen welk het beste gedrag zal zijn

44.4.1.2. algemene evaluatie: OC als causaal leren (baby's zijn in staat om te begrijpen welke prikkels het gevolg zijn van hun eigen gedrag, vb. Watson)

44.4.1.3. voordelen: kunnen weergeven hoe ze gerelateerd zijn --> belangrijk om te weten wat de aard is van de relaties; sluit aan bij AARR

44.4.1.4. niet altijd optimaal gedrag: (1) foutieve proposities --> foutieve informatie of niet representatieve ervaringen (2) foutieve conclusies--> fouten in redeneringen (3) automatische effecten van oude proposities--> vaak tot een conclusie gekomen, dan kan deze zich aan je opdringen ook als ze niet meer correct is

44.5. binnen complexere vormen van leren: associatieve modellen

44.5.1. S-S modellen: Stimulus-stimulus relatie resulteert in een associatie in het geheugen zodanig dat er zich een keten van associaties gaat vormen die zich kunnen verspreiden over verschillende representaties

44.5.1.1. intersecting regularities: je zou moeten aantonen dat de activatie in beide richtingen gaat --> weinig evidentie voor

44.5.1.2. associaties zeggen niets over hoe prikkels gerelateerd zijn en dus geen verklaring voor het gedrag

44.6. binnen complexe vormen van leren: propositionele modellen

44.6.1. voordeel: door inferentieel leren gecombineerd en zo tot nieuwe proposities komen en op hun beurt het gedrag beïnvloeden --> als ze aan de basis liggen, moeten de effecten tenietgedaan kunnen worden door de interferenties te beïnvloeden

44.6.2. ALS KC en OC verklaard kunnen worden door AARR en AARR enkel verklaard kan worden door deze modellen dan worden ook KC en OC gemedieerd door deze processen

44.6.3. problematisch: verschil in NAARR en AARR, ondanks ze op dezelfde modellen berusten (argument: mensen hebben andere proposities dan dieren, maar wat onderscheidt ze dan?)