Het Christendom

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Het Christendom by Mind Map: Het Christendom

1. geschiedenis

1.1. Wortels in het jodendom

1.1.1. Aartsvader Abraham, 2000 voor Chr.

1.1.1.1. Geloof in 1 God.

1.1.2. Verbond tussen God en joodse volk staat centraal

1.1.3. God kiest het joodse volk.

1.1.4. God zorgt voor bescherming en een eigen land

1.1.4.1. het beloofde land

1.1.5. Leven volgens de leefregels, wetten van God.

1.1.6. Gelukkige toekomst

1.2. Onder leiding van Mozes ontsnapt het joodse volk uit slavernij in Egypte. 1440 v. Chr.

1.2.1. de Tien Geboden

1.3. In joodse boeken wordt een Messias, een soort bevrijder, aangekondigd.

1.3.1. Brengt vrede, geluk en rechtvaardigheid. (harmonie)

1.4. Jezus wordt als Messias gezien

1.4.1. Kleine groep volgelingen (apostelen)

1.4.2. Ook vijanden (Romeinse bezetters)

1.4.2.1. Veroordelen hem ter dood en kruisigen hem.

1.4.2.1.1. Na 3 dagen opgestaan uit zijn dood. Na 40 dagen Hemelvaart. Na 50 dagen Pinksteren.

1.5. Zoon van God

1.5.1. Volg zijn voorbeeld

1.5.1.1. Heb je naasten lief

2. uitgangsvormen van het Christendom

2.1. Jezus van Nazareth, de belangrijste figuur van het Christendom

2.1.1. Een joodse leraar

2.1.1.1. Bethlehem geboorteplaats van Jezus

2.1.1.2. Trok rond in gebieden als Israël en Palestijnse gebieden.

2.1.1.3. Onderwees zijn leerlingen

2.1.1.4. Deed wonderen en genas zieken

2.1.1.5. Het Rijk van God, iemand die vrede, vrijheid en geluk brengt, men moet er wel goed leven

2.1.2. Riep op tot meer rechtvaardigheid en kwam op voor de armen

2.1.3. Jezus leeft!

2.1.3.1. Na zijn dood geven zijn volgelingen het goede voorbeeld.

2.2. Belangrijke geschriften

2.2.1. de Bijbel

2.2.1.1. Het Oude Testament (Tenach), Joodse boeken over hun geloof in God

2.2.1.1.1. THora, wegwijzer

2.2.1.1.2. Newiíem, de profeten

2.2.1.1.3. Chtoewiem, de geschriften

2.2.1.2. Het Nieuwe Testament, het geloof in God van de volgelingen van jezus

2.3. Rituelen, feesten en symbolen

2.3.1. Rituelen

2.3.1.1. Het doopsel, opname in de kerkgemeenschap

2.3.1.2. Het avondmaal, symbolisch avondmaal ter nagedachtenis aan Jezus

2.3.1.3. Het vormsel, ter bevestiging van de doop op latere leeftijd.

2.3.1.4. Boete en verzoening, betuigen van spijt.

2.3.1.5. De ziekenzalving, zalving van zieke of stervende mensen.

2.3.1.6. De priesterwijding, voor diegene die priester wordt

2.3.1.7. Het huwelijke, de kerkelijke huwelijksinzegening

2.3.2. feesten

2.3.2.1. Kerstmis, geboorte van jezus

2.3.2.2. Pasen, opstanding van Jezus

2.3.2.3. Hemelvaart, jezus keert terug naar god de vader (40 dagen na Pasen).

2.3.2.4. Pinksteren, uitstorting van de Heilige Geest (50 dagen na Pasen)

2.3.3. Symbolen

2.3.3.1. Verwijst naar iets dat voor mensen belangrijk is.

2.3.3.1.1. Zichtbare tekens voor onzichtbare dingen. bijv: hartje voor liefde, water bij doop voor Rein. Het zijn ook herkenningstekens. Bijv: kruisje om nek

2.4. Christelijke organisaties

2.4.1. Kerken in Nederland

2.4.1.1. Rooms-katholieke kerk (RKK)

2.4.1.2. Protestantse Kern in Nederland (PKN)

2.4.2. Politieke partijen

2.4.2.1. CDA en Christenunie

2.4.3. Vakbond

2.4.3.1. CNV

2.4.4. krant

2.4.4.1. Trouw

2.4.5. scholen

2.4.5.1. Katholiek of protestantse

2.4.6. sportclubs

2.4.6.1. bijv: RKC Waalwijk

3. wereldgodsdienst

3.1. een van de 5 grote wereldgodsdiensten, 2 miljard mensen

3.1.1. 2 miljard mensen

3.2. standpunten

3.2.1. Geloof in God die zich voor het eerst aan het Joodse volk heeft getoond.

3.2.2. God is mens geworden in Jezus Christus

3.2.3. Jezus is voorbeeld voor ieder mens

3.2.4. Jezus is na zijn dood verrezen en heeft zich gevoegd bij God de Vader in de hemel.

3.2.5. God maakt zich op 3 manieren kenbaar (Triniteit)

3.2.5.1. God de Vader

3.2.5.2. God de zoon

3.2.5.3. God de Heilige Geest

3.2.6. Na de dood komt alles goed in een nieuw leven, het Rijk van God

3.3. veel invloed

3.3.1. De helft van de bevolking lid van een kerk

3.3.2. voornamen zijn afgeleid van Christelijke figuren

3.3.3. Het hechten van waarde aan het menselijk leven

3.3.4. Uitgebreide manier van het vieren van Christelijke feesten.

4. antwoorden op levensvragen

4.1. Wat is belangrijk in het leven?

4.1.1. Naastenliefde, help een ander die het moeilijk heeft

4.1.2. God lief hebben

4.2. Wie is de mens?

4.2.1. Beeld van God

4.2.1.1. In ieder mens iets van God.

4.2.1.2. De mens heerst over de aarde en alle schepselen.

4.2.1.3. De mens bestaat ui een lichaam, geest en ziel.

4.2.1.4. Een mens beschikt over verstand, gevoel en een eigen vrije wil

4.2.1.5. De mens kan kiezen tussen goed of kwaad.

4.2.2. Elk mens is uniek

4.2.3. De mens is beperkt

4.2.3.1. Sommige dingen kan je niet veranderen.

4.2.4. De mens is onsterfelijk

4.2.4.1. Na de (lichamelijke) dood leeft de ziel voort.

4.2.5. De mens is vrij

4.2.5.1. De mens kan nadenken en keuzes maken

4.2.6. De mens is verantwoordelijk

4.2.6.1. De mens gaat goed om met zijn eigen vrijheid

4.3. Hoe leven mensen met elkaar?

4.3.1. De tien geboden zijn belangrijk

4.3.1.1. respecteer je vader en je moeder

4.3.1.2. niet jaloers zijn op anderen

4.3.1.3. je mag niet liegen

4.3.1.4. je mag niet stelen

4.4. Wat is de betekenis van lijden en dood?

4.4.1. Steun

4.4.2. Troost

4.4.3. Niet het einde, er is leven na de dood

5. Geschiedenis, de verbreiding

5.1. vanuit Jeruzalem over het Romeinse Rijk

5.1.1. Rome het hart

5.2. Christenen weigerden staatsgoden te erkennen en te vereren.

5.2.1. Christenen werden als staatsgevaarlijk gezien

5.3. Onder keizer Constantijn kreeg Christendom een bevoorrechte positie (313)

5.4. Keizer verklaarde Christendom tot Staatsgodsdienst (380)

5.4.1. Kruis wordt teken van onoverwinneijkheid

5.5. Eertse concilie, vergadering van belangrijke leiders, vindt plaats (325)

5.6. Triniteit wordt vastgesteld tijdens Concilie van Constantinopel (381)

5.6.1. God is Vader, Zoon en Heilige Geest

5.7. Augustinus (354-430 n. Chr) invloedrijke christelijke denker.

5.7.1. een van de belangrijkste kerkvaders van het christendom.

5.8. ascese, sober leven, bij deel christenen (monniken)

5.8.1. stoffelijk en lichamelijk leven ondergeschikt aan geestelijk leven

5.8.2. leefregels van christendom in praktijk brengen.

5.8.3. onvrede dat kerk zich vereenzelvigde met de staatsmacht

5.8.4. eerste klooster gesticht door benedidictus van Nursia (480), de Benedictijnen

5.8.4.1. gehoorzaamheid aan de abt( leider van het klooster)

5.8.4.2. armoede en afstand doen van persoonlijk bezit

5.8.4.3. zuiverheid, celibatair leven.

5.9. kloosterordes

5.9.1. Augustijnen

5.9.2. Norbertijnen

5.9.3. Karmelieten

5.9.4. Domenicanen

5.9.5. Franciscanen

5.9.6. Clarissen

5.9.7. Jezuieten

6. Geschiedenis, Schisma, scheuring tussen kerk van Rome en oosterse kerken van Constantinopel (1054)

6.1. vooral door verschil in opvatting

6.1.1. kerk van Rome: Paus, oosterse kerk: bisschop

6.1.2. westen: verplicht celibaat voor priesters. oosten: gehuwde mannen kunnen priester worden.

6.2. gebieden terugveroveren door kruistochten( heilige oorlogen) (1095-1291)

6.3. hoogtepunt christelijke cultuur tussen de 12e en 14e eeuw

6.3.1. Thomas van Aquino, groot christelijk denker.(1225-1274)

7. Geschiedenis, de reformatie of hervorming

7.1. leiders waren Luther, Calvijn en Zwingli

7.1.1. terug naar de geestelijke bron. Het woord van God als in de Bijbel

7.2. protestantse kerken

7.3. Thomas Muntzer

7.3.1. leider boerenopstand(1524), kies voor de armen

7.4. als reactie de Contrareformatie door Katholieke kerk.

7.5. Concilie van Trente (1545-1562)

7.5.1. hoe moest men reageren op alle afsplitsingen.

7.6. veel ontdekkingsreizen naar Amerika, Afrika of verre Oosten

7.6.1. zending of missie

8. Geschiedenis, nieuwe tijd

8.1. na 15e eeuw neemt invloed van de kerk en het geloof langzaam af (secularisatie)

8.2. 18e eeuw de verlichting, verstandelijke benadering van de werkelijkheid.(rationalisme)

8.3. opkomst wetenschap en techniek, vormen van Atheïstische filosofie, humanisme, liberalisme, socialisme en feminisme.

8.4. tegenoffensief, eigen maatschappelijke organisaties

8.4.1. scholen

8.4.2. vakbonden

8.4.3. boerenorganisaties

8.4.4. omroepen

8.5. verschillende gezichten van kerk tijdens nationaalsocialisme van Hitler

8.5.1. passief tegen opkomst nazi's

8.5.2. tegenbeweging, de bekennende kirche

8.5.2.1. leiders als Barth, Niemoller en Bonhoeffer

8.6. Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965)

8.6.1. positieve waardering van moderne maatschappij

8.7. ontzuiling en ontkerkelink va jaren 60.

8.7.1. organisaties laten band met geloof en kerk los

8.7.2. leden kerk neemt af